|
LEZEN
Interview over Advaita Vedanta
Advaita 101
Interview met Swami Dayananda Saraswati
Het volgende interview is een
uittreksel van een uit meer dan tachtig bladzijden bestaand verslag
van een reeks gesprekken die in februari 1998 gevoerd werden tussen
Swami Dayananda en Andrew Cohen.
Wat is Advaita?
Andrew
Cohen: Zoals u weet is er al zo’n twintig jaar in het Westen een
grote belangstelling voor Advaita en ik krijg de indruk dat er ook
veel verwarring is over deze leer, dat het erg verkeerd begrepen
wordt en dat er in sommige gevallen misbruik van gemaakt wordt.
We willen er met u over spreken zodat we een gezaghebbende
traditionele visie kunnen presenteren. Zou u daarom, om te beginnen,
willen uitleggen wat de filosofie van de Advaita Vedanta is?
Swami Dayananda: Het woord ‘advaita’ is een erg belangrijk woord.
Het is een woord dat dvaita, dat ‘twee’ betekent, tenietdoet. De ‘a’
is een ontkennend deel, dus de betekenis zou zijn ‘dat wat
niet-tweevoudig, of non-duaal is’. En het openbaart de filosofie dat alles wat er
hier is Een is, wat bekent dat er niets anders is dan die Ene noch
dat het uit vele delen bestaat. Het is een geheel zonder delen en
Dat noemen ze ‘Brahman’(het Absolute) en Dat ben jij – omdat het
non-duale niet anders kan zijn dan jij, de onderzoeker. Als
het anders is dan jij dan is het duaal; dan ben jij het subject
en het (andere) is het object. Dus moet jij het zijn. En daarom als
je dat niet inziet, dan zie je over het hoofd dat je het Geheel
bent.
AC: Zou u de geschiedkundige achtergrond willen uitleggen?
SD: De Veda’s (heilige hindoegeschriften) zijn de oudste
belichaming van kennis die de mensheid kent. En de traditie
beschouwt niemand als de auteur van de Veda’s maar zegt dat ze
gegeven zijn aan de oude rishi’s (zieners) als kennis die werd
geopenbaard. Men is van mening dat de Veda’s uiteindelijk zijn terug
te leiden tot de Heer als bron van kennis en het is deze belichaming
van kennis dat de bron van de Advaita is. De Upanishads (de
gedeeltes aan het einde van de Veda’s) gaan over Godrealisatie – en
ze gaan er niet alleen over, ze onderrichten er methodisch in. Ik
doe vandaag wat in de Upanishads wordt geleerd. De Upanishads zelf
zijn een leer en ook een leertraditie. En het is een communiceerbare
traditie – daar is niets mystieks aan.
Maar ik denk niet dat advaita alleen in de Veda’s is; ik denk dat
het overal is – overal waar de gedachte ‘jij bent het Al’ is. Dat is
advaita, of het nu in het Sanskriet, Latijns of Hebreeuws is. Maar
het voordeel van Vedanta is dat het onderwezen kan worden en dat het
wordt onderwezen. We hebben een leertraditie gevormd, en het is
uitgebreid. Zoals in Amerika bijvoorbeeld, toen plotseling mensen
vegetariërs begonnen te worden, was tofu en alfalfa en nog wat
andere spullen het enige wat ze hadden omdat er geen traditie van
vegetarisch koken was. Dat duurt een tijd. Je kan niet van de een op
de andere dag een traditie in het leven roepen!
AC: Wie worden als de belangrijkste vertegenwoordigers gezien van de
Advaita-leer?
SD: Er zijn een heleboel leraren die deze traditie in stand hebben
gehouden van wie we de namen niet weten. Maar vanuit de Upanishads
kunnen we zeggen: Vyasa, Gaudapada, Suresvara – deze namen herhalen
we elke dag. Maar Shankara neemt een centrale plaats in vanwege zijn
geschreven commentaren. Het is het geschreven commentaar dat de
traditie van lesgeven en de methode van lesgeven geeft en de methode
is in deze traditie erg belangrijk: hoe geef je les? Er zijn een
heleboel valkuilen in dit proces en een daarvan is de beperking van
de taal – de taalbarrière. Maar de leer moet duidelijk worden
gemaakt door middel van woorden wat inhoudt dat je een methode moet
hebben – een methode waardoor je zeker weet dat de student het
begrijpt, omdat de verlichting plaatsvindt tijdens het lesgeven en
niet achteraf. Dat is de traditie. Shankara neemt dus een
belangrijke plaats in vanwege zijn commentaren, omdat hij op
palmbladeren geschreven commentaren voor ons heeft nagelaten. Maar
ik wil niet zeggen dat de andere leraren minder belangrijk zouden
zijn.
AC: Waren er vóór Shankara geen geschreven commentaren?
SD: Er waren er wel een paar. Wat ik nu elke morgen onderwijs is in
feite een commentaar op een van de Upanishads door Shankara’s eigen
leraar, Gaudapada. Er zijn er nog een paar meer –Vyasa’s sutra’s.
Deze sutra’s zijn analytische werkstukken in de vorm van zeer korte
uiteenzettingen, de een na de ander, zodat je ze uit het hoofd kan
leren. Deze maken weer deel uit van de traditie van lesgeven zodat
ze altijd weer herhaald worden. Je schrijft een sutra en dan
onderwijs je het aan een groep mensen en dit bij elkaar is wat wordt
overgeleverd. Als je de sutra reciteert dan herinner je je wat we de
‘traditie’ noemen. In feite is de gehele Advaita Vedanta in de
sutra’s uiteengezet.
Het Zelf is reeds aanwezig in elke ervaring
AC: Waarom bent u van mening dat de studie van de geschriften,
eerder dan de spirituele ervaring, het meest directe middel tot
Zelf-realisatie is?
SD: Zoals ik zei, is Zelf-realisatie het ontdekken dat ‘Het Zelf het
al is’- dat jij de Heer bent; in feite ben je God, de oorzaak van
alles.
Nu heeft niemand een gebrek aan de ervaring van advaita, aan dat wat
non-duaal is – er is altijd advaita. Maar elke ervaring is net
zo waardevol als iemands vermogen om het uit te leggen. Een dokter
die jou onderzoekt zal je toestand anders uitleggen dan een
advocaat. Daarom heb je uitleg nodig en jouw kennis is net zo
redelijk als het middel van kennis dat je voor dat doel aanwendt.
Wij hebben, als het kleine zelf, geen middel tot kennis om direct te
begrijpen wat Zelf-realisatie is en daarom is Vedanta het middel tot
kennis dat voor dat doel gebruikt moet worden. Een ander middel tot
kennis zal niet werken omdat voor dit soort kennis onze vermogens
tot waarneming en conclusies trekken alleen niet voldoende zijn.
Daarom is mijn mening dat er niets zo weinigzeggend is dan wereldse
ervaring. Het is in feite zo dat ervaring ons heeft verwoest.
AC: Mijn ervaring als leraar is dat over het algemeen voor de meeste
mensen geldt, dat alleen het aanhoren van de leer niet genoeg is.
Gewoonlijk hebben ze een of andere ervaring nodig, dat de betekenis
van de woorden op een directe experimentele manier duidelijk maakt.
En dan zegt zo iemand: “Oh, mijn hemel, nu begrijp ik het! Ik heb
dit al zo veel jaar gehoord maar nu zie ik de waarheid ervan in.”
SD: Ja, maar zelfs die ervaring heeft geen zin zonder juiste
interpretatie. Stel dat het gevoel van een afgescheiden individu
zijn voor een moment wegvalt of tien minuten lang of zelfs een uur
en dan plotseling komt die schijnbare dualiteit weer terug. Betekent
dat dat het ene ware Zelf vervangen is? Natuurlijk niet! Waarom
heeft verlichting dan een ervaring nodig? Verlichting is niet
afhankelijk van ervaring; het is afhankelijk van of ik mijn dwaling
en onwetendheid kwijtraak – daar hangt het van af en van niets
anders.
Men zegt dat advaita eeuwig is, dat het tijdloos is en
tegelijkertijd zeggen ze dat ze op een bepaalde tijd en onder
bepaalde omstandigheden een ervaring ondergaan. Dat is niet
traditioneel! Maar dat horen we overal. De traditie zegt: “Wat je op
dit moment ziet, is advaita.”
Stel iemand heeft een ervaring en hij komt eruit en zegt: “Een uur
lang was ik eeuwig.” Geen tijd betekent tijdloos en tijdloos
betekent eeuwig. Of het nu een moment of een uur eeuwig is, dat is
altijd hetzelfde. Dus vertrouwen in waarheid kan niet afhankelijk
zijn van een ervaringstoestand. Vertrouwen in waarheid is jouw
helderheid in wat is. Wat er anders gebeurt is: “ik was een uur
niet-tweevoudig Brahman en toen kwam ik terug en was het voorbij.”
Dan wordt elke gedachte een nachtmerrie, omdat, als ik niet in
nirvikalpa samadhi (extatisch opgaan in non-duaal bewustzijn)
ben, ik dan zelfs niet om kan gaan met de wereld; ik moet voor
altijd stoned zijn, weet je? Terwijl verlichting gewoon weten is wat
is. Dat wordt sahaja genoemd, dat wat ‘natuurlijk’ betekent; het
betekent gewoonweg helder inzien. Als mensen er op aandringen om een
bepaalde ervaring te hebben, dan betekent dat eenvoudig dat ze de
leer niet begrepen hebben. Zelfs nu bijvoorbeeld, interpreteren we
onze ervaringen, jij ervaart mij nu.
AC: Dat is waar.
SD: En jouw ervaring schijnt twee dingen duidelijk te maken: het ene
is het subject; het andere het object. Maar laten we aannemen dat
beiden een en dezelfde waarheid zijn.
AC: Oké.
SD: Dan heb je geen gebrek aan verse informatie hier. De ervaring
mij te zien of iemand te zien, iets te zien of te horen, aan iets te
denken – vanbinnen, vanbuiten, wat dan ook - die ervaring is
advaita. En als dat zo is dan hebben we geen gebrek aan ervaring en
hoeven daarom niet te wachten totdat er een ervaring plaats gaat
vinden. Welke ervaring je ook vanbinnen zal opdoen, die ervaring
onthult advaita, onthult non-dualiteit. Daarom is het een
probleem van kennis en dat probleem van kennis moet opgelost worden.
AC: Kennis van wat?
SD: Van deze non-dualiteit! Praat ik over iets wat mij
absoluut onbekend is? Nee. Wat iemand onbekend is? Helemaal niet.
Precies nu bijvoorbeeld zie je mij en je zegt: “Swami zit hier.” Hoe
weet je dat? Je zegt: “Omdat ik u zie, u hoor; daarom bent u er.”
Daarom ben ik duidelijk voor jou, omdat jij het middel hebt om te
weten, je hebt het middel om te horen; daarom is Swami. Swami is
omdat Swami voor jou evident is. De zon, de maan, de ster, de
ruimte, de tijd is – deze zijn allemaal evident voor jou.
Hetzelfde geldt voor het ervaren van jezelf. Stel dat ik je vraag:
“Heb je een fysiek lichaam?” “Ja” zal je zeggen – omdat het
zichtbaar is voor jou. “Heb je enige herinnering aan daar of daar te
zijn geweest?” Ja – omdat dat evident is voor jou. Voor wie zijn al
deze dingen evident? Voor jou! Voor jezelf. Dat betekent dat jij
zelf-evident bent.
Waneer ben je niet zelf-evident? Zeg me eens - waneer? Omdat je
zelf-evident bent hoef je nooit zelf-evident te worden. Al mijn
ervaringen zijn er omdat ik zelf-evident ben. Daarom wordt het Zelf
al ervaren – dat is wat ik zeg. Het Zelf wordt als de ultieme inhoud
van elke ervaring ervaren. Ik zeg in feite dat juist onze ervaring
het Zelf is.
Daarom is dat wat in alle ervaringen zonder verandering aanwezig is,
bewustzijn en geen object is hiervan onafhankelijk. En bewustzijn is
niet afhankelijk van enig specifiek object en heeft niet een van de
attributen ervan. Bewustzijn is bewustzijn en terwijl het in alles
aanwezig is, gaat het alles te boven. Daarom zeg ik; dit is advaita,
dit is non-duaal, dit is Brahman, dit is oneindig; wat betreft
tijd is het oneindig, wat betreft ruimte is het oneindig. En daarom
is het Brahman en daarom ben je al alles. Dit is de leer en het
betekent dat ik niet hoef te wachten op wat voor ervaring dan ook,
omdat elke ervaring Brahman is, elke ervaring is oneindig.
AC: Maar dit is een subtiel punt dat niet per definitie makkelijk te
bevatten is zonder een voorafgaande directe ervaring van het
non-duale.
SD: Als diegene het niet inziet, betekent dat dat ik door moet gaan
met lesgeven; of ze zien het wel in maar ondanks dat zeggen ze: “Ik
zie nog wat spinnenwebben hier en daar.” Maar dat is geen probleem.
Die moeten worden opgeruimd.
Eerst heb je een inzicht, dat is weten, en dan, als er moeilijkheden
oprijzen, gaan we ons daar om bekommeren. Ik zeg niet dat het geen
kwestie van ervaring is maar ik zeg dat ervaring altijd juist de
aard van jezelf is. Bewustzijn is ervaring en elke ervaring onthult
het feit dat je Zelf-evident bent. En wat Zelf-evident is, is per
definitie non-duaal. Dus subject en object zijn reeds
hetzelfde.
Er is een golf, die een menselijke geest heeft. Het denkt: “Ik ben
een klein golfje.” Dan wordt het een grote golf dat in het proces
menig andere golf in zich opneemt en het begint op te scheppen: “Ik
ben een grote golf.” Dan raakt het zijn vorm kwijt en het wordt weer
klein, wordt als het ware bankroet – en nu wil het op de een of
andere manier naar de kust. Maar vanaf de kust rollen andere golven
naar de oceaan en vanaf de oceaan rollen golven naar de kust en deze
arme kleine golf zit hiertussen gevangen, gesandwiched, en hij gaat
huilen: “Wat moet ik doen?” Er is een andere golf in de buurt, een
golf die erg gelukkig schijnt te zijn en de eerste golf vraagt aan
hem: “Hoe komt het dat je zo gelukkig bent? Jij bent zo klein – in
feite ben je nog kleiner dan ik! Hoe kom je zo gelukkig?” Dan zegt
een andere golf: “Hij is een verlichte golf.” Nu wil de eerste golf
weten: “Wat is verlichting?” De gelukkige golf zegt: “Zeg, kom op!
Jij moet weten wie je bent!” “Oké. Wie ben ik?” En de verlichte golf
zegt: “Jij bent de oceaan.” “Wat?! De oceaan? Zeg je dat ik de
oceaan ben, vanwege al het water waardoor ik word gevormd en waarin
ik weer terugvloei? Die oceaan ben ik?” “Ja, jij bent de oceaan.” En
hij lacht. “Hoe kan ik de oceaan zijn? Dat is net zoiets als zeggen
dat ik God ben. De oceaan is almachtig, het is allesdoordringend,
het is alles. Hoe kan ik de oceaan zijn?”
Dus we kunnen de Vedantaverklaring van de werkelijkheid van het
non-duale van tafel vegen of we kunnen vragen: “Hoe komt dat?
Hoe komt het dat ik Dat ben?” Het onderwijzen van het
non-duale is niet nodig als onze identiteit duidelijk is, als
wat duidelijk voor ons is niet een verschillend zijn is, maar een in
essentie niet-verschillend zijn. In dit geval is er een
niet-verschillend zijn. Er is geen golf zonder water en er is geen
oceaan zonder water. Elke andere golf en ook de hele oceaan is
alleen maar water.
Realisatie van het non-duale en activiteit in de wereld
AC: Een van de onderwerpen waarin ik erg geïnteresseerd ben is de
relatie tussen de realisatie van het non-duale dat u heeft
beschreven en activiteit in de wereld van tijd en ruimte.
Bijvoorbeeld, in de empirische wereld, in de empirische
werkelijkheid, komt zelfs de gerealiseerde ziel, die niet twijfelt
over zijn ware natuur, tot de conclusie dat hij nog steeds stelling
moet nemen tegen, tegenover, krachten van waanideeën en negativiteit
die hier werkzaam zijn.
SD: We hoeven geen regel op te leggen zoals zou moeten en moeten –
hij mag stelling nemen.
AC: Mag stelling nemen?
SD: Ja. Omdat vanaf het moment dat hij eenmaal vrij is, wie bepaalt
dan regels voor hem? Zie je, als hij zo vrij is om te doen dan is
hij net zo vrij om niet te doen – daarom zei ik dat. Hij zal
spontaan doen wat er voor hem te doen is. Misschien denkt hij dat
het met iedereen goed gaat. In feite is dat de waarheid. Omdat ik
geen probleem met jou heb totdat je me vertelt dat je met mij een
probleem hebt.
AC: Maar laten we bijvoorbeeld zeggen dat de gerealiseerde ziel in
een kamer zit en dan komt er een moordenaar binnen, die mensen
begint te vermoorden. Sommige zouden kunnen zeggen: “Tja, het is
allemaal een Zelf en er is geen tegenpartij, er is geen reden
tussenbeiden te komen.” Maar iemand anders zou zeggen: “Ik heb geen
keus; ik moet tussenbeiden komen.”
SD: Waarom zou hij niet tussenbeiden komen? Het is duidelijk dat er
op dat niveau gekwetst wordt.
AC:Ja.
SD: En misschien is hij niet eens aan het moorden, misschien is hij
alleen aan het schelden. Waarom zou deze gerealiseerde ziel niet
zeggen: “Dwaas, gebruik andere taal. Wat ben je aan het doen?” Zo
kan hij hem helpen; hij kan hem helpen om te veranderen. En hij kan
het doen zonder hem enig probleem te bezorgen; hij kan boos zijn
zonder deze man boos te laten worden, hij kan tegen hem spreken en
hem duidelijk maken dat hij beledigend is vanwege zijn achtergrond
en hem zo helpen om te veranderen. Dat zal hij gaan doen. Maar we
kunnen niet zeggen dat hij zou moeten corrigeren. Wie bepaalt de
regels hiervoor? Stel dat iemand verlicht is; wie zou de regels voor
hem, de verlichte persoon, bepalen? Niemand moet de regels bepalen
want hij staat boven alle regels.
AC: Hij staat boven de regels?
SD: Ja, hij staat boven de regels en is niet onderhevig aan enige
regel. Niemand kan het Zelf tot object maken; er is geen tweede
persoon om het Zelf tot object te maken. Daarom is het Zelf niet
blootgesteld aan pijn nog schuld en is daarom vrij van pijn en
schuld. Met andere woorden het is noch een subject noch een object en
als dat zo is dan heeft “zou moeten” er niets mee te maken – het
heeft zelfs niet met empirische handelingen te maken – omdat dit
niet het punt is. Het punt is: we hebben hier te maken met iemand
die een bepaald probleem heeft en daarom is hij beledigend en
diegene kan geholpen worden. Dus natuurlijk zal hij helpen!
AC: Het is duidelijk dat alles wat u heeft gezegd helemaal waar is
omdat, tenslotte, het non-duale niet geraakt kan zijn en het
heeft geen voorkeuren. Maar wat ik wil zeggen is dat er altijd een
diep effect is op de menselijke persoonlijkheid van degene die zich
dat non-duale gerealiseerd heeft en ik gebruik dit extreme
voorbeeld alleen om duidelijk te maken dat er enig criterium moet
zijn. Bijvoorbeeld, in de loop van de geschiedenis hebben mensen die
zich dit non-duale Absolute diep gerealiseerd hebben, een satvische natuur getoond, een egoloosheid. Hoewel ik weet dat
verlichting vele vormen kan aannemen en dat het uiterlijk gedrag van
verlichting bij verschillende mensen verschillend is, toch is er
altijd fundamenteel een uiting van onbaatzuchtigheid en compassie
wat ons doet zeggen dat, als iemand werkelijk een gerealiseerd
persoon was, hij niet in staat zou zijn om op een diep egoïstische
manier te handelen. Daarom zijn er bepaalde dingen die iemand, als
hij of zij een gerealiseerd persoon zou zijn, niet zou doen. Dat wil
ik zeggen.
SD: Hoe kun je een verlicht persoon beoordelen?
AC: Nou, als hij mensen aan het verkrachten en vermoorden is dan
zouden we minstens kunnen zeggen: “Dit is geen verlicht persoon.”
Nietwaar?
SD: Dat komt helemaal niet aan de orde omdat in het traditionele
systeem hij een leven volgens strenge zeden en spirituele training
geleefd moet hebben en alleen dan is hij verlicht en deze man heeft
dat niet gedaan dus hij heeft duidelijk nog enige problemen. Er is
niettemin een gezegde: “Er is een wijs mens nodig om een wijs mens
te herkennen.” Als jij een wijs mens was dan heb je geen ander wijs
mens nodig om wijs te worden; als je het tegenovergestelde bent, dan
kan je hem niet waarnemen. Zo zit je in een machteloze situatie.
Daarom zeg ik je, het criterium uiteindelijk voor een wijs mens – de
manier om erachter te komen of hij wijs is of niet - is of hij jou
wijs kan maken. Dan heeft hij kennis. Dat is het enige criterium en
er is geen ander omdat zijn compassie zeer verschillende vormen kan
aannemen en we met al onze handelingen niet altijd mensen tot troost
zijn.
De mysticus en de aanhanger van de Vedanta
AC: Over het algemeen worden Shankara en Ramana Maharshi als de twee
grootste exponenten van de Advaitaleer en advaitarealisatie
beschouwd. En toch heb ik me altijd verwonderd waarom de leer van
Shankara tot een monastiek systeem geleid heeft waarin men wordt
aangemoedigd het wereldse leven op te geven om het spirituele leven
serieus te volgen, terwijl Ramana Maharshi - die zelf iemand was die
de wereld verzaakte - dikwijls de mensen die hem vroegen “Meester,
moet ik het wereldse leven opgeven?” ontmoedigde om enige uiterlijke
veranderingen in hun leven te maken.
SD: Shankara is alleen een schakel in de traditie, zoals ik hiervoor
al zei. Hij is niet de stichter van een of ander systeem of
kloosterorde. Het is wel zo dat hij zelf een sannyasin, iemand die
de wereld verzaakt, was – als jongeman gaf hij alles op – maar een
sannyasin is anders dan een monnik.
Een sannyasin behoort tot geen enkele kloosterorde. Hij is geen
deelnemer aan de maatschappij. Hij is tot een zekere rijpheid
gekomen, een zeker begrip, dat hem er toebrengt om op een toegewijde
manier zich met spirituele kennis bezig te houden. In de tijd van
Shankara was zo iemand ontheven van alle familiaire, sociale en
religieuze verplichtingen door middel van een ritueel waarbij hij
zei: “Alles wordt door mij opgegeven. Ik doe niet meer mee. Ik heb
geen belangstelling voor geld, macht, veiligheid of wat er hier ook
maar is.” Er is geen klooster om die man te beschermen. Hij is
‘onder de blote hemel’.
Maar er is nog een dieper niveau van verzaking die deze sannyasin,
deze verzaker, moet bereiken, en dat is de kennis ‘ik ben niet de
doener, ik ben niet degene die geniet, ik heb geen enkel karma, geen
enkele handeling, verricht’ - directe kennis van het
niet-tweevoudige Zelf, dat ook dadenloosheid betekent. Er is altijd
sprake van handeling zolang als er sprake is van doenerschap. Zelfs
‘niet-doen’ is een handeling. Daarom is de bevrijding van het
doenerschap dat volgt in het spoor van kennis van het Zelf, niet een
handeling van iets opgeven. Het is: ”Ik weet en daarom ben ik vrij.
En daarom is er geen keus.” Dat wordt het ware sannyas genoemd, het
ten alle tijde ware opgeven van alle handelingen en dat is
verlichting.
AC: Het is niet waar dat Shankara een kloostertraditie opgericht
heeft?
SD: Nee, hij heeft geen enkele kloostertraditie opgericht. Dat
hebben ze later pas gezegd, maar dat kwam omdat hij zo’n populaire
leraar was en omdat hij sannyasin was. Zijn leerlingen hadden maths
(kloosters) die ze hadden gesticht, maar het was geen nieuwe orde.
Sommigen van zijn leerlingen waren mogelijkerwijs naar verschillende
plaatsen gezonden maar we weten niet of hij ze stuurde of dat ze uit
zichzelf gingen. Volgens mij gingen zij uit zichzelf. Hij stuurde
niemand ergens heen. Zo zou ik zijn in ieder geval; als ik Shankara
was zou ik zeggen: “Ga waar je maar wilt! Nou, als zo’n gering
iemand als ik dat zou doen dan denk ik niet dat Shankara iets anders
gedaan zou hebben. Zo, dat is één.
En dan Ramana. Sommigen zeggen dat Ramana de meest verhevene is,
degene die in de huidige tijd advaita heeft volbracht. Dat is de
mening omdat hij bij sommige mensen bekend is maar er kunnen
miljoenen mensen zijn die niet bekend zijn – sommige kunnen een
gezin hebben, mensen die thuiszitten, waarvan sommige doodgewone
huisvrouwen zijn. In India weet je, moet je er rekening mee houden
dat sommige van deze vrouwen verlicht zijn. Dat zijn ze! En ze
kunnen huisvrouw zijn, moeder van tien kinderen. We weten het niet.
India is een ander land. Er zijn geen criteria te vinden waarmee je
kan vaststellen of iemand verlicht is of niet. En zo wordt er van
Ramana gezegd dat hij verlicht is, maar we zouden hem kunnen vragen:
“Bent u verlicht?” En hij zal zeggen: “Waarom wil je dat weten? Wie
is degene die dat wil weten? Probeer er achter te komen wie je
bent.” Hij ontdekte deze manier van spreken met mensen waardoor hij
geen vragen meer hoefde te beantwoorden. Er kwam een man en die
vroeg: “Wat is God?” en hij antwoordt: “Wie is diegene die deze
vraag stelt?” Deze manier van antwoorden heeft hij aangenomen om de
persoon tot zichzelf te laten keren. Daarom ging zijn aandacht niet
uit naar een bepaalde levensstijl. Hij moedigde noch sannyas aan
noch iets anders. Hij vertelde de mensen alleen: “Begrijp wie je
bent. Dat is belangrijk.”
AC: Eigenlijk, als men zei dat ze hun familie wilden verlaten en
sannyasin wilden worden, ontmoedigde hij dat.
SD: Elke sannyasin zou hetzelfde zeggen omdat anders al deze mensen
in een ashram terecht zullen komen! Ik zou in dit geval zeker
hetzelfde zeggen omdat ieder die zegt: “Ik wil alles opgeven,” een
probleem heeft.
AC: Waarom?
SD: Omdat hij onzeker is! Als hij niet onzeker was geweest dan zou
hij allang vertrokken zijn; dan zou hij niet gekomen zijn en het mij
hebben gevraagd. Omdat de mango, als hij rijp is, naar beneden valt;
hij vraagt niet: “Zal ik vallen?” Ramana was niet dom; hij wist
precies wat hij moest zeggen. Als ik hem was, weet je wat ik dan zou
zeggen? Ik zou diegene adviseren: “Hé, kom op, je hoeft niets te
veranderen. Blijf waar je bent. Het is een verandering van visie.”
Zelfs Shankara zou hetzelfde zeggen. Shankara had slechts vier
leerlingen. Hij reisde te voet het hele land door, wat betekent dat
hij duizenden mensen ontmoette, toch had hij slechts vier
leerlingen! Dat betekent dat hij iedereen van advies diende. “Blijf
waar je bent.”
AC: Toch stimuleerden in dezelfde periode Jezus en de Boeddha, van
wat ik heb horen zeggen, mensen om alles in de steek te laten en hem
te volgen om een spiritueel leven te gaan leiden. Dit is dus een
interessante vraag.
SD: Zij stimuleerden hen, zij stimuleerden hen – ik weet niet
waarom. Misschien wilden zij dat ze tijd met zichzelf doorbrachten.
Maar de waarde van een contemplatief leven is er in de Vedische
traditie altijd geweest en een contemplatief leven kan overal
geleefd worden. En je kunt een contemplatief leven leiden temidden
van activiteit of je kan alleen zijn en helemaal niet contemplatief
zijn.
AC: In een van uw boeken maakt u een onderscheid tussen een mysticus
en een aanhanger van de Vedanta. Toen u bijvoorbeeld aan Ramana
Maharshi refereerde als zijnde een mysticus, scheen u hem op een
bepaalde manier te onderscheiden van een aanhanger van de Vedanta.
En omdat vele mensen hem als het zuiverste voorbeeld van Vedanta
beschouwen, ben ik benieuwd wat dat verschil is.
SD: Het enige verschil hierin is dat een mysticus geen
communicatiemiddelen heeft om jou tot een even grote mysticus te
maken als hij zelf is.
AC: Om empirische verwarring op te helderen – is dat wat u bedoelt?
SD: Ja. Stel dat de mysticus de kennis heeft dat hij altijd het Al
is – dat soort ervaring van een mysticus. Dus diegene is een
mysticus, maar hij heeft geen communicatiemiddel om zijn ervaring te
delen. Als hij een communicatiemiddel had waardoor hij iemand anders
tot net zo’n mysticus kon maken dan zou er niets mystieks zijn aan
wat hij weet. Daarom noem ik hem geen “mysticus”. Ik noem hem een ‘
aanhanger van de Vedanta’.
AC: In het geval van Ramana zegt iedereen dat hij communiceerde door
middel van stilte.
SD: Ook dit is een interpretatie omdat er heel wat mensen zijn die
ik ken, die naar hem toe gingen en bij terugkomst zeiden ze dat hij
niets wist.
AC: Maar er zijn ook vele mensen die zeggen dat ze diepe ervaringen
hadden door middel van stilte.
SD: Ieder moet op zijn eigen wijze interpreteren. We kunnen slechts
zeggen dat iemand een Vedantist is als hij Vedanta kan onderwijzen!
Advaita 101
door Andrew Cohen
Opnieuw uitgegeven met toestemming uit What is enlightenment?
tijdschrift; herfst/winter 1998
© 1998 EnlightenNext, Inc. All rights reserved.
http://www.wie.org
Met dank aan Willeke van Dijk voor haar
vertaling.
|