Geplaatst op Geef een reactie

Bhagavad Gita quotes over sattva

In de Bhagavad Gita vinden we tientallen verzen over de drie guṇa’s of eigenschappen: sattva, rajas en tamas. Ben je niet bekend met de guṇa’s? Lees dan het artikel ‘Sattva, rajas en tamas: een model voor innerlijke groei’.

Op deze pagina delen we een selectie inspirerende verzen uit de Bhagavad Gita die gaan over sattva, de eigenschap die zich manifesteert als kennis, helderheid en tevredenheid. Krishna vertelt wat de kenmerken zijn van iemand die gevestigd is in sattvaguna en wat bijvoorbeeld sattvische voeding, sattvische kennis en sattvisch geluk is.

Bhagavad Gita verzen over sattva

Heer Krishna zei:

traiguṇya-viṣayā vedāḥ nistraiguṇyo bhavārjuna |
nirdvandvo nitya-sattvasthaḥ niryoga-kṣema ātmavān || 2.45 ||

‘Het onderwerp van de Veda’s heeft betrekking op de drie guṇa’s. O Arjuna, wees vrij van deze drie kwaliteiten, vrij van de tegenstellingen. Wees iemand die altijd gevestigd is in sattva-guṇa, iemand die vrij is van zorgen over het verkrijgen en beschermen van bezit, en die meester is over zijn geest.’

tatra sattvaṁ nirmalatvāt prakāśakam anāmayam |
sukha-saṅgena badhnāti jñāna-saṅgena cānagha || 14.6||

‘O Arjuna, sattva is stralend en vrij van problemen, omdat het zuiver is. Sattva bindt door de verbinding met gelukservaringen en kennis.’

karmaṇaḥ sukṛtasyāhuḥ sāttvikaṁ nirmalaṁ phalam |
rajasastu phalaṁ duḥkham ajñānaṁ tamasaḥ phalam || 14.16||

‘Men zegt dat het resultaat van een dharmische handeling verbonden is met sattva en zuiver is. Het resultaat van rajas is pijn en het resultaat van tamas is onwetendheid.’

sattvāt sañjāyate jñānaṁ rajaso lobha eva ca |
pramāda-mohau tamasaḥ bhavato’jñānam eva ca || 14.17||

‘Uit sattva ontstaat kennis en uit rajas hebzucht. Onverschilligheid, misleiding en onwetendheid komen voort uit tamas.’

abhayaṁ sattva-saṁśuddhiḥ jñāna-yoga-vyavasthitiḥ |
dānaṁ damaśca yajñaśca svādhyāyastapa ārjavam || 16.1||

ahiṁsā satyam akrodhaḥ tyāgaḥ śāntirapaiśunam |
dayā bhūteṣvaloluptvaṁ mārdavaṁ hrīracāpalam || 16.2||

tejaḥ kṣamā dhṛtiḥ śaucam adroho nātimānitā |
bhavanti sampadaṁ daivīm
abhijātasya bhārata || 16.3||

‘Onbevreesdheid, zuiverheid van geest, toewijding aan kennis en contemplatie, vrijgevigheid, zelfbeheersing, het dagelijks uitvoeren van rituelen, recitatie van de Veda’s, religieuze discipline, oprechtheid, niet-kwetsen, waarheidlievendheid, vrijheid van boosheid, verzaking, kalmte van geest, niet-roddelen, compassie naar alle levende wezens, afwezigheid van hartstocht, zachtaardigheid, bescheidenheid, afwezigheid van fysieke onrust, waardigheid, evenwichtigheid, standvastigheid, reinheid, afwezigheid van venijn en afwezigheid van arrogantie; al deze kwaliteiten zijn aanwezig in degene die geboren is voor het goddelijke, o Arjuna.’

Voedsel

āyuḥ-sattva-balārogya-sukha-prīti-vivardhanāḥ |
rasyāḥ snigdhāḥ sthirā hṛdyāḥ āhārāḥ sāttvika-priyāḥ |17.8

‘Sappig, romig, heilzaam en aangenaam voedsel dat de levensduur verlengt, dat zorgt voor een heldere geest, voor kracht, gezondheid, een prettige smaak en esthetisch genoegen, is geliefd bij sattvische mensen.’

Rituelen

aphalākāṅkṣibhiryajñaḥ vidhi-dṛṣṭo ya ijyate |
yaṣṭavyam eveti manaḥ samādhāya sa sāttvikaḥ || 17.11||

‘Het ritueel dat gekend wordt via de geschriften, dat wordt uitgevoerd door degenen die niet bezig zijn met het resultaat en met de instelling ‘dit is wat gedaan moet worden’, is sattvisch.’

Discipline

deva-dvija-guru-prājña-pūjanaṁ śaucam ārjavam |
brahmacaryam ahiṁsā ca śārīraṁ tapa ucyate ||17.14||

‘Het vereren van devatā’s, brāhmaṇa’s, leraren en wijzen, properheid, oprechtheid, zelfdiscipline en niemand pijn doen, worden samen fysieke discipline genoemd.’

anudvega-karaṁ vākyaṁ satyaṁ priya-hitaṁ ca yat |
svādhyāyābhyasanaṁ caiva vāṅmayaṁ tapa ucyate || 17.15||

‘Spraak die geen onrust veroorzaakt, die waar is, aangenaam en nuttig, en het dagelijks herhalen van je eigen Veda, worden samen discipline in spraak genoemd.’

manaḥ-prasādaḥ saumyatvaṁ maunam ātma-vinigrahaḥ |
bhāva-saṁśuddhirityetat tapo mānasam ucyate || 17.16||

‘Mentale opgewektheid, zichtbare opgewektheid, vrijheid van praatzucht, beheersing van de geest en een zuivere intentie worden samen mentale discipline genoemd.’

śraddhayā parayā taptaṁ tapastat trividhaṁ naraiḥ|
aphalākāṅkṣibhiryuktaiḥ sāttvikaṁ paricakṣate|17.17|

‘Men zegt dat deze drievoudige discipline sattvisch is, wanneer deze wordt uitgevoerd met volledige śraddhā (vertrouwen), door mensen die kalm zijn en die niet bezig zijn met het resultaat.’

Giften

dātavyam iti yad dānaṁ dīyate’nupakāriṇe |
deśe kāle ca pātre ca tad dānaṁ sāttvikaṁ smṛtam || 17.20||

‘De gift die gegeven wordt op de juiste tijd en plaats, aan een waardige ontvanger, zonder een tegenprestatie te verwachten, denkend ‘dit dient gegeven te worden’, wordt gezien als sattvisch.’

Verzaking

kāryam ityeva yat karma niyataṁ kriyate’rjuna |
saṅgaṁ tyaktvā phalaṁ caiva sa tyāgaḥ sāttviko mataḥ || 18.9||

‘O Arjuna, het uitvoeren van een voorgeschreven handeling met de houding ‘het dient gedaan te worden’, waarbij men de emotionele afhankelijkheid en het resultaat van de handeling opgeeft, wordt beschouwd als een sattvische verzaking (tyāga).’

na dveṣṭyakuśalaṁ karma kuśale nānuṣajjate |
tyāgī sattva-samāviṣṭaḥ medhāvī chinna-saṁśayaḥ ||18.10||

‘De verzaker (tyāgī) die beschikt over een zuivere geest, die juiste kennis heeft en wiens twijfels zijn opgelost, heeft geen hekel aan ongepaste handelingen gebaseerd op verlangen, en is niet gehecht aan gepaste, voorgeschreven handelingen.’

Kennis

sarva-bhūteṣu yenaikaṁ bhāvam avyayam īkṣate |
avibhaktaṁ vibhakteṣu tajjñānaṁ viddhi sāttvikam || 18.20||

‘Weet dat het sattvische kennis (jñānam) is waardoor men de enkelvoudige, onveranderlijke werkelijkheid herkent in alle wezens, wat het onverdeelde onder de verdeelde dingen is.’

Karma (handelingen)

niyataṁ saṅga-rahitam arāga-dveṣataḥ kṛtam |
aphala-prepsunā karma yat tat sāttvikam ucyate || 18.23||

‘De voorgeschreven handeling die zonder emotionele afhankelijkheid en niet vanuit voorkeur en afkeer wordt uitgevoerd, door iemand die niet hevig verlangt naar het materiële resultaat, die handeling (karma) wordt sattvisch genoemd.’

mukta-saṅgo’nahaṁ-vādī dhṛtyutsāha-samanvitaḥ|
siddhyasiddhyornirvikāraḥ kartā sāttvika ucyate |18.26|

‘Degene die in zijn handelingen vrij is van emotionele afhankelijkheid, die niet opschept, die vastberaden en enthousiast is, en die onverstoord blijft bij succes en mislukking, die uitvoerder van handelingen (kartā) wordt sattvisch genoemd.’

De geest

pravṛttiṁ ca nivṛttiṁ ca kāryākārye bhayābhaye |
bandhaṁ mokṣaṁ ca yā vetti buddhiḥ sā pārtha sāttvikī || 18.30||

 ‘O Arjuna, de geest die activiteit en verzaking kent, en die weet wat wel en niet gedaan moet worden, wat wel en niet gevreesd moet worden, en wat gebondenheid en vrijheid is, die geest (buddhi) is sattvisch.’

Standvastigheid

dhṛtyā yayā dhārayate manaḥ-prāṇendriya-kriyāḥ |
yogenāvyabhicāriṇyā dhṛtiḥ sā pārtha sāttvikī || 18.33||

‘O Arjuna, de onwrikbare standvastigheid waarmee iemand door oefening de activiteiten van de geest, prāṇa en de zintuigen reguleert, die standvastigheid (dhṛti) is sattvisch.’

Geluk

sukhaṁ tvidānīṁ trividhaṁ śṛṇu me bharatarṣabha |
abhyāsād ramate yatra duḥkhāntaṁ ca nigacchati || 18.36||

yat tad agre viṣam iva pariṇāme’mṛtopamam |
tat sukhaṁ sāttvikaṁ proktam ātma-buddhi-prasādajam || 18.37||

‘O Arjuna, luister nu naar mij; dit gaat over het drievoudige geluk (sukha). Het geluk waarin men vreugde ontdekt door veelvuldige oefening en men beëindiging van verdriet bereikt, dat in het begin op vergif lijkt (en) na transformatie op nectar, dat geluk wordt sattvisch genoemd. Het is ontstaan uit de helderheid van zelfkennis.’

(Nederlandse vertaling: Rommert en Manon van Dijk)

Leestip

Het boek De essentie van de Bhagavad Gita van Swami Dayananda

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.