Geplaatst op Geef een reactie

Het traditionele onderwijs van de Upanishads

De Upanishads onthullen de onbegrensde, onveranderlijke werkelijkheid ‘waaruit alle wezens zijn geboren, waarin zij leven en waarheen zij terugkeren’. Ze ontvouwen hoe het onbegrensde bewustzijn de werkelijkheid van zowel onszelf als de wereld is. In de ontdekking hiervan zien we hoe we volledig acceptabel zijn, vrij van elk gebrek, de bron van geluk. Hoe komen we tot deze kennis? Kunnen we het onbegrensde wel bereiken? En wat is de rol van de duizenden jaren oude traditie, waarin deze kennis ook vandaag de dag wordt onderwezen?

Dit artikel is verschenen in Tijdschrift voor Yoga, 4 | 2021.

Als mens zijn we onwetend geboren en ons in hoge mate zelfbewust. Dit is de ideale situatie om allerlei vergissingen over onszelf te maken. Dieren hebben dit probleem niet. Zij zijn in heel beperkte mate bewust van zichzelf, waardoor ze tevreden, zonder zelfoordeel en complexen door het leven gaan. Een koe gaat niet naar de schoonheidsspecialist om haar wimpers te laten verven, laat staan naar de plastisch chirurg voor een buikverkleining. Wij vormen daarentegen wel oordelen over onszelf, vergelijken onszelf met anderen en gaan worstelend en ontevreden door het leven.

Universele vergissingen

De Upanishads spreken over de vele universele vergissingen die de mens maakt, zoals: ik ben het lichaam, ik ben de geest en ik ben de zintuigen – en hun beperkingen zijn mijn beperkingen. Dat betekent: ik ben ziek als het lichaam ziek is, ik ben slechtziend als de ogen slecht zien, ik ben onzeker, blij of verdrietig als de geest onzekerheid, blijdschap of verdriet toont. Voortdurend voelen we ons ergens door beperkt en we denken dat we iets moeten doen om van die beperkingen af te komen. We streven onbewust allemaal naar vrijheid van beperking, onbegrensdheid, volheid, wat we ervaren in momenten van geluk.

De Upanishads geven aan: je kunt op twee manieren naar onbegrensdheid of geluk streven: op een onnadenkende manier of op een intelligente manier.

Kaṭha-upaniṣad 1.2.2:

śreyaśca preyaśca manuṣyam etaḥ 
tau samparītya vivinakti dhīraḥ
śreyo hi dhīro’bhi preyaso vṛṇīte
preyo mando yoga-kṣemād vṛṇīte

‘De mens komt in aanraking met zowel śreyas als preyas. Na beiden onderzocht te hebben, maakt een scherpzinnig mens onderscheid en verkiest śreyas boven preyas. Iemand die niet helder nadenkt, kiest voor preyas, omwille van het vergaren en beschermen van zijn bezit.’

De Katha-upanishad zegt dat er twee dingen zijn die de mens kan nastreven: śreyas of preyas. Preyas betekent ‘iets plezierigs’. Wat dat precies is, verschilt van mens tot mens en van moment tot moment. De ene keer is het een stukje chocolade of het oplossen van een sudoku, de andere keer een yogavakantie op een ver eiland. Alles wat ons een plezierige ervaring geeft valt onder preyas.

We zijn als mens voortdurend op zoek naar prettige ervaringen; het is onze favoriete bezigheid. Door allerlei activiteiten te ontplooien, kunnen we ons tijdelijk tevreden of zelfs intens gelukkig voelen. Voor even vergeten we onze beperkingen door op te gaan in het moment. Preyas biedt ons tijdelijk geluk en het middel is handeling. Het is de weg die we gaan vanuit onwetendheid en vergissing. 

Śreyas: totale vrijheid

Śreyas betekent ‘het hoogste goed’, dat wat goed is voor iedereen, in elke tijdsperiode en op elke plaats. Śreyas is totale vrijheid. We kunnen het verkrijgen door kennis van de ware aard van ons zelf. Het zelf is vrij van elk gebrek, is vol en compleet. Dit is iets om te ontdekken. Het is een reeds bereikt doel. Preyas, iets plezierigs, bereiken we door iets te doen. Śreyas, totale vrijheid, is onze natuur. Daarom is het middel voor śreyas niet handeling, maar kennis. Als iets al bij je is, maar je denkt van niet, dan is kennis genoeg om het te verkrijgen.

Stel je zoekt je leesbril. Deze heb je even geleden op je hoofd geschoven. Je concludeert dat je je bril kwijt bent en zoekt er overal naar: in huis, in de schuur, op straat. Je bent de bezitter van de bril, maar je weet het niet. Kennis is nu genoeg om de bezitter van de bril te ‘worden’. Je moet weten dat hij op je hoofd zit.

Zo hoef je ook niets te doen om vrijheid te bereiken; het is je natuur. Je bent al vrij. Maar je moet het wel weten! Want de conclusie ‘ik ben een beperkt, sterfelijk wezen’ heeft dezelfde uitwerking op je als daadwerkelijk een beperkt wezen zijn. Zoals concluderen dat je je bril kwijt bent, hetzelfde effect op je heeft als daadwerkelijk je bril kwijt zijn. Dus śreyas en preyas verschillen in zowel het middel als het resultaat. Śreyas (totale vrijheid) bereik je door kennis. Preyas (iets plezierigs) bereik je door handeling.

Leestip: het boek Sleutel tot de Upanishads

Het doel achter alle doelen

Beide doelen zijn voor de mens beschikbaar, maar op een verwarrende manier. Ze zijn niet werkelijk twee verschillende doelen. We zoeken śreyas (vrijheid) in de vorm van preyas (iets plezierigs). Śreyas is het ultieme goede waar iedereen naar op zoek is, bewust of onbewust. Als we genot zoeken in eten, drank en vakanties, zoeken we in wezen naar vrijheid van verdriet. Als we naar zekerheid zoeken in geld, macht of groepsidentiteit, dan zoeken we vrijheid van onzekerheid. Op allerlei manieren zoeken we naar vrijheid van elk gevoel van gebrek, elk gevoel van onbehagen. Totale vrijheid is het ongeziene doel achter al onze doelen in het leven.

Het kiezen van śreyas (totale vrijheid) als doel in het leven vergt veel volwassenheid en denkvermogen. We worden onwetend geboren, zowel van de wereld als van onszelf. Niet wetende dat we zelf het geluk zijn dat we zoeken, worden we van nature aangetrokken tot preyas (plezierige dingen). De Upaniṣads sporen ons aan om onze ervaringen te analyseren, zodat we de beperkingen van preyas gaan inzien. Pas dan zullen we openstaan voor een volkomen andere benadering van het probleem.

Muṇḍaka-upaniṣad 1.2.12:

parīkṣya lokān karma-citān brāhmaṇaḥ nirvedam āyānnāstyakṛtaḥ kṛtena
tad vijñānārthaṁ sa gurum evābhigacchet samit-pāṇiḥ śrotriyaṁ brahma-niṣṭham

‘Door de ervaringen, die zijn verkregen door handelingen, te analyseren, moge een volwassen mens objectiviteit bereiken. Moksha (totale vrijheid), dat niet gecreëerd is, kan niet bereikt worden door een handeling. (Daarom) om brahman te kennen, zou hij met twijgen in de hand enkel een leraar moeten benaderen die goed onderlegd is in de geschriften en die standvastig is in de kennis van brahman.’

Handelingen geven beperkte resultaten

Door onze ervaringen te analyseren kunnen we zien dat alles wat we bereiken met onze handelingen beperkt is. Elk resultaat dat we verkrijgen door handelingen is onderhevig aan vier beperkingen.

De eerste beperking is tijd. Plezierige dingen (preyas) die we verkrijgen geven slechts tijdelijk voldoening, nooit permanent. Hoe lang kunnen we genieten van een mooi boek, een kop thee, of een fijne yogahouding? Elke plezierige ervaring is tijdelijk; elke ervaring komt en gaat.

De tweede beperking is pijn. Elke winst verkregen door inspanning brengt verlies met zich mee. De verkregen winst gaat gelijk op met de tijd en moeite die in de handeling is gaan zitten. Om een yogavakantie te kunnen betalen, hebben we het hele jaar hard moeten werken.

De derde beperking is dat we door handelingen nooit volledige voldoening verkrijgen. We willen altijd meer of we willen het anders. De vakantie was wel fijn, maar iets te kort en het weer zat tegen.

En tot slot: plezierige dingen (preyas) werken verslavend. Ze creëren afhankelijkheid. Een smartphone was eerst een luxe, maar nu kunnen we niet zonder. Zelfs spirituele ervaringen van stilte en vrede door yoga en meditatie kunnen verslavend zijn.

Objectiviteit ontwikkelen

Door onze ervaringen te analyseren en hun beperkingen in te zien, worden we geleidelijk objectief over wat we met handelingen kunnen bereiken: alleen beperkte, tijdelijke voldoening. De Muṇḍaka-upaniṣad zegt: moge een contemplatief mens door deze analyse objectiviteit bereiken. Objectiviteit wil zeggen dat we niet méér waarde leggen in geld, macht, spullen, relaties, etc. dan zij bezitten. Geld maakt niet gelukkig en datzelfde geldt voor al het andere dat we door handelingen kunnen verkrijgen. Preyas (iets plezierigs) kan hooguit tijdelijk wat voldoening geven.

De oplossing ligt niet in het bereiken van dingen die we nog niet bereikt hebben, zoals meer geld en plezier. De oplossing ligt in het bereiken van wat al bereikt is: onze eigen essentie, die vrij van elk gebrek is.

Iedereen vindt het heerlijk om te slapen, omdat er een onderbreking plaatsvindt van onze worsteling in het leven en onze verkeerde overtuigingen over onszelf. Zelfs de meest verdrietige persoon, is vrij van verdriet tijdens de slaap. De criticus in ons, de zelfhaat, jaloezie, pijn en schuld: het is allemaal verdwenen in diepe slaap. We laden ons op in dat waarvan de Upaniṣads zeggen dat het ons zelf is: onbegrensd bestaan-bewustzijn (brahman), vrij van elk gebrek. Maar daarvoor hoeven we niet te gaan slapen. De Upaniṣads geven ons de kennis over dit zelf dat altijd hier en nu vrij is. En zo bereiken we het reeds bereikte.

Het onbegrensde bereiken

Het onbegrensde (brahman) kan niet werkelijk bereikt worden. We kunnen alleen iets bereiken wat begrensd is, want bij elk bereiken, verkrijgen of ervaren is een ik betrokken, degene die bereikt, plus dat wat bereikt wordt. Een subject en een object die elkaar begrenzen. Brahman is onbegrensd in tijd, plaats en eigenschappen. Er is niets buiten brahman; geen enkele gedachte, geen enkele emotie, geen enkele ervaring. Dat wat onbegrensd is in tijd, plaats en eigenschappen moet er altijd zijn, het moet overal zijn en het moet alles zijn. Daarom is het bereiken van brahman, van mijzelf, enkel in de vorm van de vernietiging van onwetendheid.

In de Katha-upanishad onderwijst Yama (de Dood) de jonge Naciketas over brahman.

Hoe bereiken we ruimte? Ook enkel door ruimte te kennen: ruimte is overal en altijd aanwezig. We hoeven ruimte niet fysiek te bereiken. We hoeven niet ergens naartoe te gaan om ruimte te bereiken of ruimte nog te ervaren om het te bereiken. Zo ook kan brahman enkel bereikt worden door kennis.

Je bent al vrij, maar je weet het niet. Wanneer je dit begrijpt, krijgt je zoektocht richting. Je weet nu dat je kennis nodig hebt. Daarom zegt de Upanishad: ‘Ga naar een leraar die de geschriften kent en die jou de kennis van brahman kan onderwijzen.’

De onderwijstraditie heeft de sleutel

De Upanishads wijzen ons op de noodzaak van een traditionele leraar; een leraar die zelf onderwezen is door een leraar in de duizenden jaren oude onderwijstraditie. Tot op de dag van vandaag wordt deze traditie in leven gehouden door een lijn van leraren en leerlingen die teruggaat tot aan de rshi’s, de zieners van de Upaniṣad-mantra’s. In het onderwijs wordt gebruikgemaakt van de commentaren op de Upaniṣads van grote leraren zoals Adi Shankaracarya (800 n.Chr).

Een leraar in deze traditie heeft de kennis van brahman (het onbegrensde) samen met de onderwijsmethode ontvangen en heeft daarmee de sleutel van de mantra’s in handen. In het onderwijs tussen leraar en leerling komt de kennis tot leven en blijken de schijnbaar mystieke mantra’s glasheldere kennis te ontvouwen over de onbegrensde werkelijkheid; mijn eigen zelf.

Totale vrijheid

De Upanishads hebben maar één doel: ons laten zien dat we zelf de onbegrensdheid, de volheid zijn die we zoeken. Deze kennis maakt een einde aan al het geworstel in het leven naar meer geluksmomenten. Als we eenmaal helder weten dat we zelf de bron zijn van geluk, dan hoeven we niet meer op zoek naar geluk in de buitenwereld. Dit is de totale vrijheid (śreyas) waar de Upanishads over spreken: vrijheid van onwetendheid en vergissing en daarmee vrijheid van de voortdurende zoektocht naar geluk. Wat een verlichting!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *